De Volkskrant: Kunst & Cultuur

Hieronder volgt een reproductie van een artikel over Simeon ten Holt in de kunst & cultuur bijlage van De Volkskrant van vrijdag 24 april 1992, van de hand van Jan Eilander en getiteld "Nostalgie van een vreemdeling".

Introductie

De muziek van Simeon ten Holt kent geen ontwikkeling: zijn motieven zijn schakels, die je gerust van plek kunt laten veranderen. De muzikanten die zijn werk spelen wentelen "bij wijze van spreken" in de ruimte, op zoek naar het licht. Zichzelf verwondende mongooltjes worden er rustig van. En voor een oude, erudiete dame werd het een reden om te bestaan. Maar hijzelf raakte geïsoleerd. Omdat hij voerspelig heette gen confessioneel. "Ze zeggen dat je geen mooie muziek meer kunt maken, in deze tijd."

Nostalgie van een vreemdeling

Een autoreis Amsterdam-Nijmegen. Het stormde. De regen zwiepte tegen de voorruit. Geen van de passagiers had veel tekst. BLZZZZZZ, KLIK! Nog voor de afslag Vinkeveen duwde de chauffeuse een bandje in de cassetterecorder. Een piano, twee piano's? Zachtjes: Papapa - papapa - papapa - papapa - papapa. Dwingende cadans. Papapa - papapa - papapa - papapa - papapa.

Simeon ten Holt

Drie piano's, vier piano's. Papapa - papapa - papapa - papapa - pa! Einde rit: Keizer Karelplein. Dat bandje heette Canto Ostinato. Op de terugweg was er een ander bandje, en dat heette ook Canto Ostinato. Drie uur hypnose & melancholie. D'r waren wat bruggetjes, af en toe 'ns een extra melodielijntje, maar er was voornamelijk... Het was zoals De Groene Amsterdammer recentelijk schreef: "De muziek kruipt in je hoofd, in de structuren van je denken." De chauffeuse sloeg na die barre tocht aan het hometapen. Haar afnemers draaien geen rondje Vondelpark meer "zonder". Ze schrijven geen stukjes meer "zonder". Ze ruilen hun wagen in, als de cassetterecorder stuk is. Bij wijze van spreken. Dat zegt Simeon ten Holt ook steeds, bij wijze van spreken.

Incantatie IV is, na Canto Ostinato (1979), Lemniscaat (1983) en Soloduiveldansen I en II, de volgende compositie van Ten Holt voor twee of meer vleugels. Uitvoeringen van Ten Holts werken zijn marathon-happenings. Uitvoeringen die soms twee, dan drie of in het meest extreme geval dertig uur duren. De exacte duur is afhankelijk van de muzikanten. Ten Holt heeft een vaste groep spelers. Die jaar-in, jaar-uit blijven repeteren.

De partituur van Canto Ostinato duurt -- als je precies speelt wat er staat - twintig minuten. Hooguit.

"Luister maar eens goed..." Ten Holt doceert. Beethovens symfonieën zijn ontwikkelingsmuziek, zegt hij. Er is spanning, ontspanning. Ten Holt zingt een motiefje Beethoven voor. "Tamtedamtedamtamdam steeds sneller, steeds sneller, tamamamamamam, het wordt dringen, dringen, dringen. Voel je de climax naderen." Nou. Ten Holts muziek kent helemaal geen ontwikkeling. Zijn motieven zijn schakels, aaneengeregen tot een lange ketting. Schakels die je ook van plek mag veranderen. Zonder dat 'r wezenlijk iets verandert aan de muziek. D'r is geen climx met een afloop. De muziek als een vlakte, een toendra, waar je af en toe een bosje tegenkomt. Of een heuveltje over moet.

"De muzikanten wentelen zo'n stukje door de tijd en de ruimte. Ze zoeken naar de beste positie ten opzichte van het licht. Ze beginnen het slecht te spelen. Geleidelijk komen ze erin. Door het te herhalen. En dan gaan ze over naar een ander muzikaal ding."

Incantatie IV is voor pianisten een heel moeilijk stuk, zegt Ten Holt. Hij heeft een partituur geschreven met heel veel noten. Het stuk is als een enorm woud, waar verschillende wegen door mogelijk zijn. De spelers moeten doorlopend keuzen maken. Met andere woorden, bij wij van spreken: een muziekstuk is als een stroom, die hij heeft ontketend. Het water bruist naar beneden. Hij rent met de stroom mee. Dan opeens, een spijlenhek. Het water stroom er doorheen. Hij blijft voor dat hek hangen, melancholiek zwaait hij zijn spelers na. Nou, tabee, jongens...

Simeon Ten Holt bewoont een Hans & Grietje-huisje in het kunstenaarsdorp Bergen, Noord-Holland. Een groot deel van zijn leven speelt zich 's nachts af. Als het stil is buiten. Hij is de nachtwaker, die pas mag slapen als de hanen kraaien.

Het is een zware dag geweest, vandaag. Allemaal hele ingrijpende dingen meegemaakt. Vanochtend had hij een paar jeugdige kunstenaartjes over de vloer, die zich in Nderland wilden vestigen. Vanmiddag was er iets. Nu heeft hij niks. Hij werkt aan een nieuw stuk, en dat mag niet te veel afkoelen.

In de Nederlandse muziekwereld, in de wereld van de hedendaagse componisten, staat hij tamelijk geïsoleerd, zegt hij. Hij behoort niet tot een school. Niet tot een côterie. Hij manifesteert zich zomaar, tersluiks. Hij leidt het leven van een - moderne - kluizenaar. Bij wijze van spreken dan, natuurlijk. Want hij wordt wel overal gespeeld. Van Tokyo tot Groningen. Iedereen draait 'm. In gekkenhuizen gebruiken ze Canto Ostinato om zichzelf verwondende mongooltjes rustig te houden. Een oude, zeer erudiete dame schreef 'm, dat slechts drie dingen haar leven de moeite waard maakten: Shakespeare, de balletten van De Keersmaeker en zijn muziek. Bekende schrijvers en filmers verklaarden zich fan.

"Ik maak deze muziek niet omdat ik zo geïsoleerd leef. Ik raak geïsoleerd omdat ik zulke muziek maak." In principe kruipt hij om een uur of twee 's middags op z'n laddertje. Elke dag moet hij weer opnieuw die klim maken, om de hoogte te bereiken van wat hij die avond ervoor heeft gemaakt. Stukken checken, dingen naspelen op de piano. Pas 's avonds komt hij weer aan het scheppen toe, dan kruipt hij achter de piano.

Componeren is voor hem als een gevaarlijk woud waar je als sterveling in wordt gestuurd. Het enige gereedschap dat je meekrijgt, is een klein bijltje. Je wilt naar het hart van het bos. Maar de weg erheen is zwaar en moeilijk. Je raakt ontmoedigd, zoveel mensen voor je gaven de tocht al op. Toch, als door een onzichtbaar kompas gedreven kom je op een open plaats. Daar, omringd door een gracht vol gevaarlijke monsters, staat een citadel, zonder muren zonder ramen. De gracht in springen is zelfmoord. Maar je wil, je wil, en opeens, terwijl je nog buiten staat, ben je binnen. Als je er maar heel sterk in gelooft, kom je binnen. "Het gaat je boven de pet, maar zo ontstaat een stuk." Bij wijze van spreken. In feite ervaart hij het componeren vaak als een noodlot. Iets wat hij moet doen. Er zijn wel glorieuze momenten, maar meestal wordt hij er mesjogge van. Een verschrikkelijk monnikenwerk, dat nogal haaks staat op de vervoering die zijn muziek oproept.

Hoezo hypnose?

Dwangarbeid! Nootjes schrijven! Hij pakt een stapel bladmuziek van de tafel. Een stuk, voor violen ditmaal. Hij is er bijna doorheen, zegt hij. Maar er zijn alweer zo veel ideeën, dat hij helemaal opnieuw kan beginnnen. Hij is geen snelle muziekmaker. Hij laat de tijd inwerken op z'n stukken. De tijd wordt creatief als je 'm de kans geeft. En hij is uiterst geduldig. Componeren gaat spiraalsgewijs, het niveau wordt steeds hoger. "Maar op een gegeven moment zal ik de navelstreng wel door moeten knippen."

Tot eind jaren zeventig gold Simeon ten Holt als één van de exponenten van de seriële, atonale muziek. Jarenlang had hij in de studio gewerkt, met elektronica, met computers, met wiskunde. Z'n werk van daarvoor...nou, neem bijvoorbeeld A/.ta-lon (1966-1968). Een stuk voor mezzosopraan en 36 spelende en pratende instrumentalisten op zelfgeprogrammeerde teksten, memoreert Ten Holts biografie. A/.ta-lon is opgebouwd uit geïsoleerde klanken, taalklanken zonder enige betekenis in een geconstrueerde structuur gezet. Schrijftafel-muziek. Computer muziek avant la lettre. De componist "zingt" een stukje voor. Bwaf! Poooooooog? ddddddddd/EG!

"A-tonaliteit was een nieuw geloof, eind jaren zestig. Een dogma, ik geloofde daar ook sterk in." Muziek moest afbraak zijn. Kaalslag, dat was de code. Een stuk van Louis Andriessen uit die tijd heette ook zo: Kaalslag. De steniging van het burgerdom moest een stoot hebben. Net als in de beeldende kunst. Huisje-boompje-beestje moesten plat. Alles moest abstract.

Maar goed, eind jaren zeventig. Ten Holt werd ziek, moest een aantal operaties ondergaan. Daar wil hij het verder niet over hebben, maar hij dacht dat hij doodging. Dat gebeurde niet. Maar wat krijg je? Inzichten, gesomber over de betrekkelijkheid van het bestaan. Hij wilde opeens weer lijfelijk betrokken zijn, bij het musiceren. Vervoerd wilde hij worden door de mooie klanken van de piano. "Ik maakte wel een soort van muziek. Maar m'n lijf, de hartslag, de bloedstroom, de polsslag ging aan de bel trekken. Canto Ostinato was om die reden een heel bevrijdend stuk. Het bewijs dat ik meer was dan ratio en hersens."

Nog niet zo lang geleden luisterde hij naar Natalon in E, een stuk dat hij vlak na Canto Ostinato had gemaakt. En hij vond het prachtig. Het refereerde aan ouwe muziek, maar toch ook weer niet. D'r waren invloeden van de periode daarvoor. Het was tonaliteit na de dood van de tonaliteit. Het was "natalon" na A/.ta-lon.

Maakt hij romantische muziek? Mmmja. Melancholieke nostalgische muziek. Mmmmja, maar het is niet de nostalgie naar het land waar de citroenen bloeien. Het is de nostalgie van een utopie misschien. Naar het land waar de mensen geen roofdieren voor elkaar zijn. "Ik voel me in m'n eigen land, tussen m'n naasten, een behoorlijke vreemdeling."