Hieronder volgt een integrale overname van een tekst waarvan het origineel verschenen is in de VPRO gids. De datum hiervan is helaas verloren gegaan. De auteur van de tekst is Kees Polling. De aanleiding van deze reportage was een uitzending van "Reiziger in muziek" die geheel gewijd was aan de componist Simeon ten Holt.
Vroeger gold Simeon ten Holt als een avantgarde-componist die met weerbarstige en zelfs onspeelbare werken de barricades van de gegoede burgerij bestormde. Sinds hij halverwege de jaren zeventig de mogelijkheden van de tonaliteit herontdekte, schrijft hij lange stukken vol aantrekkelijke drieklanken. Zondag wordt Ten Holt geportretteerd in "Reiziger in muziek".
Ik heb misschien een genius, maar ik ben geen genie.
Overvallen, zo voelde Simeon ten Holt zich. Overvallen en gespannen. Het was ook niet niets, een veertien man tellende cameraploeg in zijn piepkleine huisje in Bergen, Noord Holland. "Wat er al niet bij komt kijken om iemand te interviewen", verzucht hij enige tijd later. "Toen de voorbereidingen voorbij waren en het vraaggesprek eindelijk begon waren Han Reiziger en ik even zenuwachtig."
We zitten aan zijn werktafel, naast de vleugel waarop ik bij
binnenkomst mijn tas wilde zetten. "Nee, daar niet", schreeuwde hij
ontzet. De tas staat nu op de grond. Zijn boosheid was gelukkig snel
voorbij. Hij zette voor ieder een kopje thee en nu zitten we daar,
gemoedelijk en - gezien de sobere inrichting - redelijk comfortabel.
Of ik de film gezien heb, vraagt de 72-jarige componist mij, en
of ik overleg heb gehad met de makers. "Want er zijn verschillende
zaken niet aan bod geweest." De uitzending moest gaan over het
in Bergen van vroeger, de invloedssfeer, het milieu, zijn
leermeester Jacob van Domselaer, zijn vader, hun onderlinge
band, de dichter Roland Holst, en het kunstenaarsleven in Bergen.
Verder zouden zijn dagboeken geciteerd worden.
"Ik heb veel dagboeken geschreven. Ik kijk ze nooit meer in, maar
mijn dagboek is een soort tweede ik geworden, de ander die mij
bekijkt. Dat dagboek bevat niet zo veel bijzonders, maar het
krijgt leven door de continuïteit, en perspectief doordat je
het iedere dag doet. Al schrijf je maar 'Idem', voor wat er
gisteren is gebeurd - en er zijn vaak dagen die 'Idem' zijn -
dan zet je toch de magie voort."
Uit die dagboeken, met name enkele uit de jaren zestig, zou in
de uitzending worden geciteerd. "Maar daar is", zegt ten Holt,
"weinig van terecht gekomen. Althans, dat geloof ik. Het gekke
is dat je na afloop van zo'n gesprek eigenlijk niet meer goed
weet waarover je het hebt gehad. We zijn wel ook nog op het kerkhof
geweest. Daar kom ik toch regelmatig. Dan bezoek ik, al dan niet
voorzien van een bloemetje, het graf van mijn moeder, en ga verder
langs de graven van Roland Holst, Nico Schuyt, Van Domselaer,
Charley Toorop, Eduard du Perron. Het is echt een heel
gezellig kerkhof. Ik beschouw het dan ook een beetje als het
verlengstuk van mijn tuin. En het is mijn perspectief. Daar
liggen onderhand zoveel oude vertrouwden uit vroeger jaren.
Sommige mensen hebben een hekel aan kerkhoven. Ik niet. Overigens
niet uit religieuze redenen. Voor mij vindt daar het absolute
einde plaats. Begrafenissen van bekenden bezoek ik zelden, omdat
ik slecht ter been ben. Maar later bezoek ik ze wel."
Hij zegt dat hij ondanks zijn gevorderde leeftijd nog dagelijks
werkt. "Dat is mijn enige raison d'être.
Als ik na een paar uur ophoud,
baad ik in het zweet. Ik werk echt aan de piano. Dáár
onstaat het. Op een goed ogenblik ga ik het opschrijven. Dan
switch ik af en toe nog wel eens naar de piano om te zien hoe
iets ook al weer zat. Maar het stuk is eigenlijk gemaakt, als
ik het ga opschrijven. Tenminste, in zijn opzet. Zodra een stuk
in zijn concept rond is, werk ik het uit en orkestreer het. Dat is
meer het tafelwerk."
Het lijkt makkelijk, maar dat is het niet. Een veelschrijver is ten
Holt namelijk niet. Over Canto Ostinato deed hij vier jaar.
"Vaak ben ik veel tijd kwijt aan het onderzoeken van alle mogelijke
details op hun factuur. Die transformeert voortdurend. Daarom
schrijf ik geen noot na noot, zoals een schrijver een boek schrijft,
maar probeer ik eerst het volledige stuk te doorgronden."
Improvisatie komt daar volgens hem niet bij kijken. "Mijn werkwijze
heeft niets met improviseren te maken. Ik ben nu al een jaar bezig
met hetzelfde stuk. Maar dat transformeert zich voortdurend. Net
als een beeldhouwer haal ik er wat vanaf en voeg ik er wat aan toe.
Ik voel me verwant aan Rodin, die ook met zijn handen werkte. Ik
componeer met mijn handen. Mijn bewustzijn gaat via mijn handen.
Een stuk heeft altijd een eigen code. Alles in de natuur heeft z'n
genetische code. Onze genetische code maakt dat wij mensen zijn
en geen apen. Op die manier wordt een stuk ook gedragen door z'n
genetische code. Wat die code is, daar moet je achter zien te komen.
Dat is geen improviseren, want improviseren gebeurt vrij van iedere
code, ofschoon het vormgeven bij het improviseren een probleem is.
Maar bij mij is geen sprake van improviseren. Het is de weg zoeken
die het stuk dient. En als het niet klopt met het innerlijke plan,
verwerp ik het. Ik verwerp gedurende dat proces ontzaglijk veel. En
geleidelijk aan verheldert die nevelvlek, die diffuse vorm, zich.
Je brengt het tot bewustzijn en transformeert het tot iets
uitgekristalliseerds. Maar dat voltrekt zich volgens een bepaald
plan, dat van het stuk zelf. Ik ben dus dienstbaar; dat klinkt
merkwaardig, maar net als een schrijver kan zeggen dat het boek
zichzelf schrijft, geldt voor mij dat een compositie zichzelf
componeert. Ik verwerp meer noten dan ik handhaaf".
Dat laatste is altijd het geval geweest. "Die code is wel afhankelijk
van je eigen levensstaat en bewustzijnsstaat. Wat ik nu wil maken,
is volstrekt anders dan wat ik vroeger maakte. Er was een periode,
dat ik mijn stukken aan tafel concipieerde, dat ik schema's maakte,
die ik consequent uitwerkte. Die - atonale - periode ligt allang
achter me".
Blijft vreemd dat hij dat schrappen van noten zo benadrukt, terwijl
hij uitblinkt in het schrijven van werken die enorm lang duren. Canto
Ostinato beslaat drie cd's, Lemniscaat kan live zelfs
dertig uur duren. Volgens ten Holt ligt dat niet aan de hoeveelheid
noten, maar aan de herhalingsprocedure, een eigenschap van de structuur.
"Het komt niet door de muziek als zodanig. Als je de noten van Canto
Ostinato speelt, zoals die er staan, dan duurt het misschien maar
een half uur. De factuur die momenteel op mijn werk van toepassing is,
krijgt door de herhalingsprocedure zijn tijdsduur. De uitvoerders
hebben hierin betrekkelijk veel vrijheid. Je kunt er alle
mogelijke wisselende nuances in aanbrengen. Je kunt het sterker spelen,
of zachter. Je kunt het één meer naar voren laten komen,
en het andere laten afwijken. Je kunt accenten geven die nooit in
één keer zijn uit te buiten, of uit te putten. Zo'n muzikaal
ding gaat zijn eigen leven leiden. In de inleiding van Canto Ostinato
schrijf ik dat het als het ware een ding is, dat gaat zweven in tijd
en ruimte en zijn gunstige positie zoekt ten opzichte van het licht.
Dat is eigenlijk het beeld waarmee ik alles zeg. Ten opzichte van
de tijdsduur, van de vorm en van de vrijheid van de spelers. Die
vrijheid is heel groot, maar zeer gedisciplineerd en gebonden aan
de tekst. Ik hou er helemaal niet van dat ze denken er wat aan
te kunnen toevoegen. Dat is een vergissing. Dat misverstand heb
ik in het begin zelf in de hand gewerkt door te zeggen: doe maar,
wees maar creatief en luister naar wat de anderen doen. Maar als
dat leidt tot dingen die niet in de tekst staan, dan heb ik daar
moeite mee. Dat hoort niet."
De componist geeft wel toe dat door zijn werkwijze geen definitieve
versie mogelijk is. "Het is altijd een work in progress. Ik
zeg altijd: de stukken zijn eigenlijk door de spelers gemaakt. Dat
blijft altijd zo. Ik heb dat beeld van een stroom, een rivier, die
je op gang brengt. Als maker ga je een groot gedeelte mee, maar dan
is er ineens een hek, waar je blijft staan, terwijl de rivier
doorstroomt en een eigen leven gaat leiden. De uitvoerenden, zeker
als ze het goed doen, maken het stuk. Ik ben dan wel de auteur van
de noten, maar zij maken het."
De meeste werken uit zeg, ten Holts tweede periode, zijn gemaakt
voor een of meerdere piano's. Uitzondering vormt Palimpsest,
een recent werk voor zeven strijkinstrumenten, dat recentelijk in
Utrecht tijdens een ten Holt-marathonconcert werd uitgevoerd.
"Vroeger schreef ik wel meer voor andere instrumentencombinaties,
maar ook toen al had ik een voorkeur voor de piano. Het is een
beetje het verlengstuk van mijn lijf. En mijn lijf vind ik sterk
verbonden met alles wat ik ben. Mijn fysiek is ook erg gebonden
aan mijn vitaal-zijn, aan mijn aanwezig-zijn hier en niet in de hemel.
Dat manifesteert zich ook in het feit dat ik sterk aan mijn instrument
hang. Dat was aan het begin van mijn componeren zo. Daarna heb ik
een tijdlang veel tafelwerk verricht, met schema's, serialistische
werken, en heb ik het een en ander in de elektronische studio in
Utrecht gedaan. Maar daarna ben ik weer teruggekeerd naar de piano.
Ik ben nu ook weer bezig aan een groot stuk voor - waarschijnlijk -
meerdere piano's."
Ten Holts terugkeer naar de tonaliteit houdt geen afkeuring in
van wat hij eerder heeft gemaakt. "Ik kan niet zeggen dat wat
ik vroeger heb gedaan, mij ontzettend interesseert. Het ligt
achter me. Maar nu ze bij Donemus een aantal van mijn oudere
werken uitgeven, heb ik een aantal oudere stukken op hun
kwaliteit moeten beoordelen. Ik moet zeggen dat ik op alle
momenten van mijn leven heel intensief bezig ben geweest.
Ik geloof dat de intensiteit waarmee iets gemaakt wordt,
medebepalend is voor de kwaliteit ervan. In mijn
Compositie 1, gemaakt in de oorlog en nog sterk onder
invloed van Van Domselaer, hoor ik dat ook. Sterker nog:
wat ik daarin hoor, is later in Canto Ostinato op een andere
manier weer teruggekeerd. Daarmee wil ik echter niet zeggen dat
ik geen onderscheid maak tussen de betere en de mindere stukken.
Maar het is niet zo dat ik ze allemaal verwerp. Ik hoef er
niet meer naar te luisteren. Maar dat is iets anders.
Als iemand anders het gaat spelen, ben ik wel nieuwsgierig."
Overigens benadrukt ten Holt dat ieder nieuw stuk een
anticlimax geeft. "Op het ontstaansmoment zelf ben ik euforisch
en denk ik dat het mijn allerbeste stuk is. Maar zodra het stuk
de navelstreng heeft verlaten, slaat de postnatale depressie toe.
Zelfs het enthousiasme van anderen verandert niks. Als ik hoor
hoe Mondriaan verrukt kon zijn over een nieuw schilderij -
dat ken ik niet. Nee, eerlijk, creatief zijn is puur lijden."
Hij vertelt hoe hij na de televisieopnamen van Reiziger In Muziek
moest bijkomen. "Verraad van de coulissen noem ik dat.
Ik ben graag achter de coulissen werkzaam. Ik mijd ook het liefst
de bühne als er een stuk van me wordt uitgevoerd. Soms moet
dat toch, maar dat vind ik vreselijk. Toen de cameraploeg weg was,
leek het alsof ze alles met zich hadden meegezogen. Alle magie
was mijn huis uit. Ik ben niet religieus, maar ik geloof wel in
mijn huisgoden. Die moet ik altijd geruststellen als ik een
tijdje ben weg geweest. Dat komt ook omdat ik in deze ruimte woon
en werk. Daarvoor ga ik niet de deur uit. Ik ben ook erg gebonden
aan een zekere ordelijkheid. Het lijkt misschien een baaierd, maar
deze wanorde ben ik gewend. Die zie ik ook niet meer. De voorwerpen
zijn tot rust gekomen. En zo moet het ook.
Toen Reiziger weg was, heb ik een week niet kunnen werken. Ik ben
toen maar achterstallige brieven gaan schrijven. Toen had ik ook
iets van: "Wat is het leven prettig als ik niet hoef te werken."
Mijn muziek ontstaat met geduld en volharding. Ik heb misschien
een genius, maar ik ben geen genie. Bij mij onstaan dingen met
de allergrootste moeite. Maar bij andere artiesten, zelf bij de
allergrootsten, gaat dat ook zo. Dat hebben we gemeen."