De onderstaande tekst komt uit de weekend bijlage van een krant, naar ik vermoed De Volkskrant. In elk geval is de pagina uit die krant gedateerd: Zaterdag 15 juni 1985 - Pagina 37. De meeste linker kolom van die pagina staat apart, en schetst kort de setting waarin de samenvatting van de lezing van John Heymans geplaatst moet worden. Hieronder volgt een reproductie: eerst de tekst van die linker kolom (onder het kopje "Introductie"), daarna het artikel zelf.
Als laatste nog een opmerking: de lezer dient zich bij het lezen te realiseren dat de tekst gepubliceerd is in 1985, dat wil zeggen, de vorige eeuw.
Vanavond wordt, in het kader van het Holland Festival, onder meer Canto Ostinato voor toetsinstrumenten van Simeon ten Holt ten gehore gebracht op het Gala van de Nederlandse Muziek in het Amsterdamse Concertgebouw. Voor de uitvoering van Canto Ostinato die op 25 april 1979 in een versie voor drie piano's en een electronsich orgel zijn première beleefde in de Ruïnekerk te Bergen NH, tekenen gewoontegetrouw de pianisten Gerard Bouwhuis, Gene Carl, Arielle Vernède en Cees van Zeeland. Van Canto Ostinato is een ruim drie uur durende concertopname in de handel waarvan de distributie door de Stichting Gaudeamus wordt verzorgd. Simeon ten Holt (Bergen, 1923) studeerde muziek, aanvankelijk bij Jakob van Domselaer, later bij Arthur Honegger in Parijs. Hij publiceerde enkele artikelen over muziek in het literaire tijdschrift Raster. Tot zijn meest spraakmakende werken behoren: ..A/.TA-LON voor mezzosopraan en 36 spelende en pratende instrumentalisten (1966-68), Canto Ostinato voor toetsinstrumenten (1976-79),
en Lemniscaat, een dertig (!) uur durend
stuk voor toetsinstrumenten (1981-83) dat in de zomer van 1983 voor
de eerste maal opklonk in de Ruïnekerk te Bergen. Lemniscaat stond
ook op het programma van het Ninth Annual Contemporairy Music-Festival
dat van 7 tot 11 maart j.l. in Los Angeles plaats vond. Op 21 juni a.s.,
nauwelijks een week na de uitvoering van Canto Ostinato, wordt Horizon,
de nieuwste compositie voor toetsinstrumenten van de hand van Ten Holt,
traditiegetrouw in de Ruïnekerk te Bergen, ten doop gehouden.
Voor de uitvoering van Horizon is het kwartet Yoko Abe, Polo de Haas,
Fred Oldenburg en Robert-Jan Vermeulen verantwoordelijk. Na zijn
première in Bergen is Horizon op 23 juni a.s. in het Concertgebouw
te Haarlem en aan het einde van de zomer vermoedelijk in het
Muziekcentrum Vredenburg te Utrecht te beluisteren.
Naar aanleiding van de op handen zijnde uitvoeringen van Canto Ostinato
en Horizon verdiepte John Heymans zich in de geschiedenis van de
hedendaagse muziek. Al luisterend naar de plaatopname van Canto Ostinato
kwam hij tot het inzicht dat het werkstuk van Ten Holt een curieuze
reflectie inhoudt op de ontwikkeling van de hedendaagse muziek die
halverwege de vorige eeuw een aanvang nam. Dergelijke tendenzen zijn
wellicht ook in de historische ontwikkeling van de wiskunde, de
natuurkunde en de schilderkunst aan te wijzen. Is het mogelijk om
te spreken van een temporisering in de historische ontwikkeling van
het culturele erfgoed? Over enkele aspecten van die vraag hield
Heymans aan de vooravond van een hernieuwde uitvoering van Canto
Ostinato, op uitnoding van een drietal instanties (KunstenaarsCentrum
Bergen, Volkshogeschool en Werkgroep Hedendaagse Muziek), een voordracht
in Bergen. Een recensie van Canto Ostinato, in de vorm van een
(sterk ingekorte) voordracht.
Op een zonnige middag in september, toen ik zat te modderen met enkele functionalen in een "mathematische-logische" stelling van Dana Scott, werd ik ineens opgeschrikt door een bericht op de radio. De stem van Ted Szàntó kondigde het aanstaande verscheiden van het - in de context van Hilversum 4 - opmerkelijke KRO-programma Collage van Alledaags en Zeldzaam aan. Gedurende vele jaren was dat programma een memorabele vrijplaats voor de meest uiteenlopende vormen van hedendaagse en geïmproviseerde muziek. Het afscheid stemde me weliswaar niet vrolijk, maar nadat de eerste klanken van de laatste Collage waren weggestorven, was ik een en al oor geworden. Eindelijk, zo lichtte Szàntó zijn gehoor in, was de langverwachte concertopname van de door Simeon ten Holt gecomponeerde Canto Ostinato op een driedubbele langspeelplaat verschenen. Die compositie had een bepaalde emotionele betekenis in mijn leven gekregen, omdat ik ooit, gezeten achter een typemachine op de burelen van een onorthodox ingenieursbureau, begeleid door de luide klanken van een oudere radio-opname van Canto Ostinato, een onderzoek betreffende de historische ontwikkeling van een wiskundig grondbegrip had afgerond. De klanken van Canto Ostinato werkten toendertijd nogal aanstekelijk op mijn gemoed, zo aanstekelijk dat ik de toetsen van de typemachine, na verloop van tijd, zelfs op de maat van de muziek begon aan te slaan. Denkend aan het principe van de voorwaardelijke reflex, greep ik naar de telefoon, ten einde de plaatopname en de partituur van Canto Ostinato aan te vragen. Ter recensie.
Ongeveer een week na de laatste uitzending van Collage van Alledaags en
Zeldzaam belde iemand, tegen het middaguur, bij het huis aan waarin ik
woon en werk. Een opgeschoten beambte die me aansprak met de woorden:
"Meneer, hartelijk gefeliciteerd met dit postpakket." En die me
vervolgens inderdaad ook een postpakket overhandigde. Het was een
vierkante, kartonnen doos waarop, in kapitale letters, de waarschuwing:
HANDLE WITH CARE. Het pakket hield het volgende in. Drie
langspeelplaten, in een robuust, in de kleuren wit, zwart en oker
uitgevoerd album verpakt. Negen opmerkingen over Canto Ostinato, een
begeleidende tekst van de dichter/schrijver H.C. ten Berge. Alsmede een
kaart waarop Henk Heuvelmans, directeur van de Stichting Gaudeamus, me
- in vier verschillende talen - de vriendelijke groeten deed toekomen.
Onmiddellijk nadat ik het album in handen had gekregen, besloot ik de
in vinyl geperste versie van Canto Ostinato te beluisteren. En 180
minuten later besloot ik dat ik me, tot nader orde, elke avond, hoe
laat ook, aan de compositie van Ten Holt zou wijden. Aan het
beluisteren van de complete Canto. Totdat het tot me door zou dringen
waarom ik zo onder de indruk was van dat meeslepende werkstuk.
Zo zat ik avond aan avond, meestal 's avonds laat, te beluisteren naar
Canto Ostinato, te lezen in allerlei boeken en losse artikelen, en te
mijmeren over wat ik las en hoorde. Avond aan avond, zeven weken in de
herfst. Een periode die zich natuurlijk op geen enkele wijze verhoudt
tot de periode waarin Canto Ostinato, noot voor noot, maat voor maat,
is gecomponeerd. Op een bepaalde avond kwam ik tot het besef dat ik,
luisterend naar een stuk muziek, aan een natuurkundig verschijnsel
onderhevig was dat wiskundig kan worden beschreven. Een complex van -
oorspronkelijk transversaal opgewekte - longtitudinale golven die
variaties in de geluiddruk veroorzaken waarvoor het menselijk oor
gevoelig is.
Kortom, het oor neemt klanken waar. De grondbeginselen van de klankleer
die door de Duitse fysioloog en fysicus Hermann Helmholtz zijn
ontwikkeld, kunnen met behulp van zogenaamde Fourierreeksen, een vondst
van een Franse baron, en andere functietheoretische concepten worden
gemathematiseerd. In dat verband is de naam van de Duitse wiskundige
Bernhard Riemann, niet te verwarren met de musicoloog Hugo Riemann, van
bijzondere bekenenis. Riemann ontwikkelde immers de functietheoretische
basis voor de leer van de samenklanken, voor de harmonieleer. Elk stuk
muziek, eenvoudig of complex, volgt de wetten van de akoestiek, zoals
elke hijskraan groot of klein, de wetten van de mechanica volgt.
Etcetera, et cetera.
Mijn "cantologische" overpeinzingen werden uiteindelijk, op een
zondagavond in november, uitermate ruw verstoord door een telefonische
tijding. Van het ene op het andere moment viel ik van de serene
werkelijkheid van een componist in de spijkerharde werkelijkheid
terug, waarvan een beeldend kunstenaar met wie ik contacten
onderhield, ongewild afscheid had genomen. Drie weken stilstand.
Daarna vertrok ik, met Canto Ostinato in mijn bagage naar
Noord-Holland.
Aan de vooravond van de jaarwisseling hield ik me, in het gezelschap
van een bevriende cineast die, op zijn beurt weer, met Ten Holt
bevriend is, in het bekendste etablissement van Bergen op. Het Huis met
de Pilaren. Het Huis waar "Jany" Roland Holst, de Prins der Dichters,
kind aan huis was. In dat huis keek de cineast, op een goed moment, uit
het raam. En hij zei tegen mij: "Kijk, de man die daar aan komt lopen,
met dat drie maten te grote, gekleurde vest aan, de man met die
wandelstok, dat is Simeon." Ik werd voorgesteld aan de componist.
Tussen de cineast en de componist die elkaar geruime tijd niet hadden
ontmoet, ontspon zich onmiddellijk een gesprek over heden en verleden.
Over de productie van ..A/.TA-LON, een compositie van ten Holt die,
anno 1978, in een volstrekt onbegrijpelijke, in het weekblad Vrij
Nederland verschenen recensie werd omschreven als: "een album van
Hergé". Over de kleine behuizing van ten Holt, een kapel waarin
het, volgens de componist, een voortdurende drukte van jewelste is. "Ik
woon met twaalf verschillende mensen in dat huis. Met de componist, met
de tuinman, met de baas van mijn katten, met mijn psychiater,
enzovoorts." En over de gedachten die ik ten aanzien van Canto Ostinato
had ontwikkeld. In kort bestek ontvouwde ik de kern van mijn
overpeinzingen, maar ik werd door de componist onderbroken. Ten Holt
wisselde de stoel naast de cineast voor een stoel naast me. Ter
gelegenheid van een en ander bestelde hij, bij wijze van uitzondering,
een borrel. "Ik moet zuinig op mijn hoofd zijn, want dat is ongeveeer
het enige aan mijn lichaam dat nog optimaal functioneert." Terwijl de
componist de kraag van zijn vest soms tot op ooghoogte optrok, wist ik
hem het volgende te vertellen.
Het klinkt misschien absurd, maar in zekere zin is de twintigste eeuw halverwege de negentiende begonnen. Omstreeks 1850 voltrok zich in de wetenschappelijke en culturele wereld een paleisrevolutie waarvan de gevolgen pas na de eeuwwisseling scherp zichtbaar zouden worden. Ik noem, om te beginnen, een drietal voorbeelden. In 1854 ontdekte Riemann de niet-euclidische meetkunde, een meetkunde waarin het klassieke parallellenpostulaat van de euclidische meetkunde niet geldig was. Met andere woorden, in de meetkunde van Riemann was het niet mogelijk om een lijn door een gegeven punt te trekken, evenwijdig aan een gegeven lijn. Die ontdekkking was de eerste voorbode van de grondslagencrisis in de wiskunde. Ook in 1854, nam Helmholtz stelling tegen de opvatting van Riemann dat de grondslagen van wetenschap hypothetisch van karakter zouden zijn. Helmholtz sprak van "Tatsachen", terwijl Riemann al van "Hypothesen" sprak. Had wetenschap een ervaringsbasis of een hypothetische basis? Die discussie was, naast de ontdekking van de meerdimensionale meetkunden van Riemann en de aloude discussie over het golf- of deeltjesmodel, een aanzet tot de duizelingwekkende ontwikkelingen in de quantum-mechanica. En ook in 1854, voltooide de componist Richard Wagner het eerste deel van zijn levenswerk Der Ring des Nibelungen: Das Rheingold. Dat "gesamtkunstwerk" markeerde het einde van de romantische, het prille begin van een nieuwe muziektraditie waarin de tonaliteit op drift raakte. Die traditie werd aanvankelijk door de Hongaarse pianovirtuoos Frans Liszt getoonzet, later door de Tweede Weense School nader uitgewerkt. Prachtige jaren, de jaren vijftig in de vorige eeuw. [ZWH: dit artikel verscheen op 15 juni 1985].
Een kort intermezzo. Het wetenschappelijke en het culturele denken ontwikkelde zich, zeker in de eerste decennia van deze eeuw, als een soort longitudinale golfbeweging. Die stelling is echter allesbehalve eenvoudig te bewijzen. Misschien was het Noord-Hollandse dorp Laren een verdichtingspunt in de golfbeweging. In Laren onderhielden de schilder Piet Mondriaan, de wiskundige L.E.J. Brouwer, de filosoof Gerrit Mannoury, de schrijver/psychiater Frederik van Eeden en nog enkele anderen, contacten met elkaar. Dat gezelschap bleek nogal gecharmeerd van intuïtionistische, naar theosofie neigende denkbeelden. Alhoewel hun werk, qua discipline en reikwijdte, niet vergelijkbaar is, is het, qua grondtoon, wel vergelijkbaar. Helaas is niemand tot op heden bereid geweest om het ultieme boek over de Larense School te schrijven. Laren, een Verdichtingspunt. Dat zou een mooie titel voor dat boek zijn, vooral als Laren inderdaad een verdichtingspunt is geweest.
Terug naar de muziek. De ontwikkeling van de hedendaagse muziek werd
aanvankelijk sterk overschaduwd door de figuur van Wagner. Het
laat-romantische oeuvre van Wagner was het aangrijpingspunt voor de
dodecafonische, expressionistische werkstukken van Arnold
Schönberg, Alban Berg en Anton Webern. Die ontwikkeling liep op de
strenge principes van de seriële muziek uit waarvan Pierre Boulez,
in de jaren vijftig en de vroege jaren zestig, de belangrijkste
vertegenwoordiger was. Na het demasqué van de atonale en
seriële muziek ontstond in de jaren zeventig een toenemend
verlangen naar de oude, vertrouwde tonale principes. Die kentering is
trouwens ook in de nieuwe schilderkunst waarneembaar: het
postmodernisme. Er is evenwel een andere weg in de ontwikkeling van de
hedendaagse muziek te volgen. Een weg waarop enkele nonconformistische
kluizenaars wandelden die desalniettemin gevoelig waren voor de
ontwikkeling om hen heen.
De eerste kluizenaar was Liszt. In zijn late pianowerken nam hij, tegen
wil en dank, afstand van de invloed die Wagner op hem had. Hij
voorvoelde als het ware de dood van Wagner en liet zich aldus
inspireren tot een viertal composities waarin vette drieklanken en
schrale atonale klanken elkaar afwisselen. Met name het werk Richard
Wagner-Venezia (1883), een opeenstapeling van drieklanken die in een
volstrekte dissonant eindigen, is een sardonische compositie van de
"missing link" tussen de romantiek en de twintigste eeuw. Het late werk
van Liszt kreeg zijn pendant in het oeuvre van een andere kluizenaar.
Erik Satie. Alhoewel de werken van Satie vooral wordt gekenmerkt door
literaire grappen en melancholische trekken, was het parool voor zijn
latere werken: stilstand. Dat principe paste Satie in een van zijn
meest kwellende composities op genadeloze wijze toe. Vexations. Een
herhaling, tot vier keer toe, van een uit achttien noten bestaand
motief. Een muzikale peanut, ware het niet dat Satie een notitie bij de
partituur had geschreven. "Pour se jouer 840 fois de suite ce motif,
(...)". De pianist die de aanwijzing van Satie naar behoren opvolgt, is
wel enige tijd met dat anderhalve minuut durende thema bezig. Namelijk:
21 uur. Dergelijke muzikale ideeën zijn door de immer jonger
ogende, Amerikaanse componist John Cage overgenomen en nader
uitgewerkt. Cage citeert in eindeloze herhalingen, bijvoorbeeld in de
Cheap Imitations, het werk van Satie. Het compositorische werk van Cage
is een originele herhaling die een gevoel van stilstand oproept. Die
herhalingen zijn meestal aleatorisch gegrondvest. Ze berusten op
toeval. Cage is de wegberijder geweest voor de minimalistische bende
van vier: LaMonte Young, Terry Riley, Steve Reich en Philip Glass. De
minimal-music is, afgezien van de improvisaties van Riley, weliswaar
niet aleatorisch van karakter, maar het is zichzelf herhalende muziek
die met name in het werk van Glass allerlei romantische tendenzen
vertoont. Van Liszt naar Glass en weerom.
Dit waren enkele van de thema's die ik, in het gezelschap van Ten Holt, aanroerde. Zijn Canto Ostinato is, naar mijn smaak, een compositie waarin niet alleen de postmodernistische tendenzen van de huidige tijd doorklinken, maar ook de muzikale ontwikkelingen van Liszt tot Reich. Canto Ostinato is een tonaal, in zekere zin aleatorisch werkstuk dat elke vorm van haast afwijst. Het herhaalt zich en vervolgt zich. Het is, zoals Ten Holt het zelf noemt, een uitdrukking van "God na de dood van God". Tonale muziek na de dood van de tonale muziek. De concertopname wordt begeleid door Negen opmerkingen over Canto Ostinato, geschreven door H.C. ten Berge. Superbe taal. De negende opmerking Ruptuur is de treffendste: "Muziek die na uren afbreekt en zich afwendt. Ons alleen laat. In het Wit. In het Licht". En zo is het met Canto Ostinato gesteld. De componist gaf me een hand en verdween in de nacht. Hij moest nog met zijn compositie Horizon aan de gang.